top of page

Mooie Belgische Huizen

12 uur geleden
4 minuten om te lezen

Column door Ian Witte


Beauty is in the eye of the beholder.


Geen enkele uitspraak is treffender dan deze wanneer ik aan mijn familie mijn interesse in Belgische huizen benoem. Als eerst zouden ze vragen: „Wat is er zo bijzonder aan Belgische huizen?“ Vervolgens laat ik ze een foto zien van een huis dat allesbehalve alledaags is (afbeelding 1). Als reactie daarop keken mijn familieleden me aan alsof er iets vreselijk mis was met mij, wat, eerlijk gezegd, ook wel een beetje waar is. Want waarom zou iemand een voorliefde hebben voor een fenomeen dat bekendstaat als ‘lelijke Belgische huizen’?


Afbeelding 1: een voorbeeld van wat mensen een lelijk Belgisch huis zouden vinden. Bron: Hannes Coudenys, 2021. Wikimedia Commons. CC-BY-SA 4.0. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:UBG-66.jpg 


Als we het hebben over lelijke Belgische huizen, kunnen we niet om de naam van Hannes Coudenys heen, die dit concept tot leven heeft gebracht. Hij heeft meerdere boeken over dit onderwerp gepubliceerd (Coudenys, 2015; 2021; 2026), waarvan de laatste op het moment van schrijven van deze column op het punt staat te verschijnen. In deze boeken worden, volgens Coudenys, de redenen achter het ontstaan van dit fenomeen uiteengezet. Voor zover ik begrijp, zijn de Belgische autoriteiten, in tegenstelling tot Nederland, minder streng wat betreft hun stedenbouwkundige voorschriften. Burgers genieten veel meer vrijheid bij het ontwerpen van hun huizen en tuinen. En deze architectonische vrijheid leidt tot anarchie. Een verrassend groot aantal Belgen heeft architecten de opdracht gegeven om huizen te ontwerpen die uniek willen zijn, met soms absurde resultaten. Natuurlijk kunnen de huiseigenaren worden bekritiseerd op hun unieke smaak, maar niemand kan hen ervan weerhouden hun dromen te verwezenlijken. En ik denk dat juist dit soort absurdisme deze huizen zo mooi maakt: ze hebben persoonlijkheid – mogelijk als weerspiegeling van de persoonlijkheid van de eigenaar. Iets wat in Nederland vaak ontbreekt. 


Hoewel Coudenys aanvankelijk een hekel had aan de anarchistische Belgische architectuur, is hij er uiteindelijk toch van gaan houden. Zo hebben wij in Nederland ook Mark van Wonderen. Hij schreef het boek Treurtrips (2020), waarover TOPOS in het verleden uitgebreid heeft bericht. Het gaat over de lelijkste plekken in Nederland, waarbij het meestal draait om de modernistische architectuur uit de jaren zestig en zeventig. Aan het einde stelt Van Wonderen dat we dit soort plekken moeten omarmen, voordat een of andere top-down-regering ontdekt dat ze niet aan de huidige regelgeving voldoen en besluit ze te vervangen door nieuwe projecten. En ik ben geneigd het met hem eens te zijn. De ruimtelijke kwaliteit is daar zeker niet de beste. Maar hoewel deze plekken van bovenaf zijn ontwikkeld, zitten ze vol verhalen die hun karakter hebben gevormd. De bewoners hebben immers decennia de tijd gehad om de grenzen van hun eigendommen te verleggen. Soms letterlijk; zo bestaat een naoorlogse wijk in mijn woonplaats uit rijtjeshuizen. Vroeger was er een grasveld tussen de achtertuin en het aangrenzende fietspad. Op de een of andere manier besloten alle huiseigenaren gezamenlijk hun achtertuin helemaal tot aan het fietspad uit te breiden, waardoor dit grasveld werd opgeslokt. Dit leidde tot een chaotisch front van muren en schuurtjes direct aan de rand van het fietspad (afbeelding 2), waarmee belangrijke ontwerprichtlijnen werden genegeerd. Toch is de lokale overheid er tot op de dag van vandaag niet in geslaagd haar openbare terrein terug te winnen.


Afbeelding 2: een chaotische muur van hekken en schuren langs de achtertuinen. Verderop in de foto staat zelfs een heg die een deel van het fietspad opslokt. Bron: Ian Witte, 2026.


Een ander voorbeeld uit mijn geboortestad is een wijk waar alle huizen wit geschilderd zijn. Totdat op een dag een huiseigenaar besloot haar huis mintgroen te schilderen. Dit leidde tot verzet van haar buren en een rechtszaak die jarenlang aansleepte. De uiteindelijke uitspraak van de rechter: de kleur van het huis mocht afwijken, maar het moest opnieuw worden geschilderd in een minder felle kleur.


Naar mijn mening kunnen wij Nederlanders iets leren van lelijke Belgische huizen. Geef de bewoners wat zeggenschap. Laat ze gedurfd zijn. Wees speels. Doe iets om uniek te zijn. Hun huizen mogen dan lelijk zijn, maar ze zijn evenmin fascinerend. In het vorige thema van TOPOS, ‘Totalitarisme’, stelde Tobias dat veel plekken in Nederland nog steeds van bovenaf worden ontworpen, waarbij nieuwe beperkingen en de behoefte aan ruimtelijke kwaliteit leiden tot saaie, eentonige en uniforme stedenbouw. Ik heb het gevoel dat er bij elk van deze iteraties steeds minder ruimte is voor persoonlijkheid. Toen ik landschapsarchitectuur studeerde, bezocht ik een referentieproject: een nieuwe woonwijk in Maastricht (afbeelding 3). Natuurlijk, het is nieuw, schoon, veilig, met een duidelijke ruimtelijke samenhang en banden met de genius loci. Maar zie wel dat deze gebouwen letterlijk dozen zijn. Vierkant. Hoekig. Koud. Kaal. Het doet me afvragen of de architect zijn inspiratie en verbeeldingskracht had verloren. Hoe moeten de bewoners hier ooit hun eigen persoonlijke stempel kunnen drukken? Ik wil niet zeggen dat we ons systeem volledig moeten omgooien. Ik verzoek architecten en beleidsmakers slechts één ding: geef jullie gebouwen wat speelruimte, zodat bewoners hun gevels – en daarmee de stad – een werkelijk uniek karakter kunnen geven.


Afbeelding 3: een nieuwe woonwijk in Maastricht. Bron: Ian Witte, 2024.


Bronnen

Coudenys, H. (2015). Ugly Belgian houses: don't try this at home. Borgerhoff & Lamberigts.

Coudenys, H. (2021). More Ugly Belgian Houses. Borgerhoff & Lamberigts.

Coudenys, H. (2026). Ugly Belgian Houses: The Final Edition. Borgerhoff & Lamberigts.

Van Wonderen, M. & Huntelaar, Y. (2020). Treurtrips: (her)ontdek Nederland! Rubinstein.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page