top of page

Landschapsontwerp vanuit liefde voor onze geboortegrond: een tegengif voor consumptieve en uitbuitende gebruiken

Interview door Yixin Han


Er zijn niet veel gesprekken die ons aan het denken zetten en dagen erna nog verbazen, en er zijn weinig ideeën en disciplines die het vakgebied van landschapsontwerp en -planning op zo’n serieuze manier kunnen uitdagen. Maar tijdens mijn interview met Aldo Ramos en Yuchen Li – twee kunstenaars van het Weaving Realities Collective – hebben ze inzichten gedeeld waarvan ik denk dat ze een grote impact kunnen hebben op ons vakgebied.


Het was via mijn Honours Programme begeleider dat ik in contact kwam met de twee kunstenaars. Hun participatieve kunst verkent inheemse wijsheden en manieren om de wereld te benaderen, en zet zich af tegen de exploiterende en consumptieve aard van het moderne leven. Deze zomer presenteren zij hun werk op de tentoonstelling ‘Beelden op de Berg’ in Arboretum Belmonte Wageningen. Ik zag dit als een kans om meer over de kunstenaars en hun werk te weten te komen.


Ik denk dat we meer dan ooit behoefte hebben aan frisse perspectieven die niet alleen onze benadering van het ontwerpproces kunnen bijsturen, maar onze conventies en manier van denken volledig kunnen veranderen. En ik was zo verrast dat ik na het gesprek met de kunstenaars merkte hoe ik diep resoneerde met hun ideeën, alsof ze in woorden hebben gebracht wat ik al die tijd wist, maar geen woorden kon vinden om het uit te drukken.


In de komende paar minuten zal ik jullie meenemen op dezelfde reis waarop ze mij toen hebben geleid, en vertellen over onze ontmoeting, onze gesprekken en hoe hun woorden mij ons werk en werk als planners en ontwerpers hebben doen heroverwegen.


Het was een bewolkte dag in het late voorjaar toen we elkaar ontmoetten in het café van het Arboretum. Toen ik hun handen schudde, begroetten ze mij hartelijk, alsof ik een vriend van vroeger was. Ook had ik een vriendin uitgenodigd die ook interesse had om mee te komen. We gingen zitten, en Aldo en Yuchen stelden zich voor. Zonder aarzeling doken ze meteen in de discussie over hun kunstuitvoeringen.


Wanneer we aan kunst denken, hebben we vaak het beeld van schilderijen in een museum, zwijgend en wachtend aan de muur, alsof ze weten dat we alleen naar ze kijken, vluchtig over ze nadenken, om ze vervolgens te vergeten. Maar Aldo vertelde ons dat inheemse kennis alleen tot uiting kan komen in kunst door te voelen en te denken met het land. Dit is de kern van ‘sentipensar’, een concept dat een centrale rol speelt in hun kunst.


Deze connectie met de aarde wordt vooral weerspiegeld in relatie tot eten. Neem bijvoorbeeld cacao. We zien het vaak als iets dat ons zintuigelijk genot kan geven, iets dat puur voor onze consumptie is bedoeld. We hebben er geen andere relatie mee naast een ingrediënt voor onze dagelijkse drankjes. We weten er zo weinig over – hoe de bomen eruit zagen in hun vroege groei, hoe het versierd is met kleine, bijna onopmerkbare bloemen direct op hun stam, en hoe het een thuis biedt voor kleine insecten. We zien het als een object en niet als een werkwoord, een handeling. We zien niet wat het doet en zijn blind voor de relatie ertussen met ons en met de aarde.


Hoe kunnen we ons losmaken van deze consumptieve en materialistische manier van omgaan met de wereld? Aldo en Yuchen’s antwoord is door participatieve kunst via eten en workshops. Door jezelf mee te laten slepen in de ervaring en de verschillende zintuigen, denk het lichaam met je mee. Je bent niet meer alleen aan het denken, maar je denkt door te voelen – ‘sentipensar’. Het gaat verder dan intellectueel denken, en leidt tot een dieper begrip en verbinding met de wereld om ons heen. ‘Koken wordt een vorm van verzet wanneer we oude kennis willen herleven terwijl we ons bewust blijven van onze relaties met het land en de mensen,’ legde Yuchen uit. ‘Je lichaam is een actie van de gemeenschap, de gemeenschap is een actie van de bergen, de rivieren, het land. Door te leren, te verbinding te leggen en te delen kan deze diepe, voorouderlijke relatie worden ontwikkeld.’


Koken wordt op deze manier kunst, kunst die gedeeld, geproefd en samen ervaren kan worden. Zo laat het voorouderlijke soeprecept ‘Milpa’ de diepe relatie en eerbied van de Maya’s voor hun land zien. Het recept wordt van generatie op generatie overgedragen van moeders op dochters. Yuchen legde uit dat voor de Maya’s Milpa niet wordt gezien als iets dat ze hebben gekweekt. Ze zien het als de essentie van hun bestaan, zoals ze het verwoordde: ‘Dankzij Milpa zijn wij hier.’


Dit toont hun diepe wederzijdse connectie met het land en hoe hun dagelijks leven draait om wat ze terug kunnen geven aan het land, de mensen, en hun familie, die ook bestaat uit dieren en planten. Tijdens de workshops en optreden waar deze recepten tot leven komen, sta je er niet passief bij als toeschouwer. Doordat iedereen uitgenodigd is om samen te koken, doorbreekt het de gevestigde dynamiek en creëren mensen actief een herinnering aan hun tijd samen.


Uiteindelijk duurde ons gesprek meer dan twee uur, en ze hadden nog zoveel meer te delen. Het voelde alsof ze vanuit hun hart spraken, zonder behoefte aan intellectuele complexiteiten en academische verwikkelingen, maar toch doordrongen van zoveel kennis en wijsheid.


Ik denk dat deze gesprekken met Aldo en Yuchen direct verband houden met de manier waarop we als landschapsontwerpers werken. Zo vaak worden we gevraagd om dingen van een afstand te bekijken, vanuit een toeschouwersperspectief, als iemand die buiten de plek staat waarvoor we ontwerpen. Wanneer deze wetenschappelijke benadering ons leert om een plek te benaderen – met alle bomen, bloemen, mensen en rivieren erin – op een koude, afstandelijke, rationele en analytische manier, zonder emotionele verbinding en gevoel, hoe kunnen we dan ons werk als ontwerper doen?


Wanneer we een boom zien als een object, een resource, als iets dat we van het land kunnen nemen en overal kunnen neerzetten waar we willen, reduceren we ze dan niet tot iets dat geen waarde heeft wanneer ze niet meer nuttig voor ons zijn? Wanneer we een economische waarde toekennen aan een stuk grond, denken we dan niet alleen aan wat we ervan kunnen nemen, zonder ook maar een moment te overwegen wat we kunnen teruggeven? Wanneer Wageningen Universiteit – dat zichzelf promoot als de ‘meest duurzame universiteit ter wereld’ – het motto ‘To explore the potential of nature to improve the quality of life’ hanteert, zijn we dan niet alleen maar gericht op wat we uit de natuur kunnen onttrekken?


Als mensen hebben we allemaal families, geboorteplaatsen en voorouderlijke gronden. We worden gedragen, van dit leven naar het volgende. Hoe kunnen we de liefde voor onze akkers en velden niet voelen wanneer we de brug oversteken met de wind in ons gezicht, wanneer we de lente overal om ons heen voelen bloeien zelfs wanneer we in de stad zijn, of wanneer de weilanden langs de snelweg verstrooid zijn met felgele koolzaad in de vroege zomer? Hoe kunnen we niet de liefde voelen voor de manier waarop kinderen spelen in de hitte van de middagzon, al het groen dat voorbijflitst wanneer je in de trein uit het raam staart en de vochtige geur van de zomerregen? En hoe kunnen we dit alles vergeten wanneer we ontwerpen maken voor onze eigen geboortegronden?


Gedurende onze opleiding als landschapsontwerpers – voortkomend uit een wetenschappelijke achtergrond – worden we aangemoedigd om dingen objectief te bekijken, om afstand te nemen van gevoel. Maar het maken van ontwerpen zou voort moeten vloeien vanuit een bepaalde compassie, van liefde en eerbied voor een plek. Het voelt verkeerd om ons te scheiden van deze relaties met het land en de mensen, iets wat we diep kunnen voelen in ons lichaam wanneer we er attent voor zijn. Wij, vooral als landschapsontwerpers, moeten streven om te ontwerpen vanuit een plek van warmte, van empathie, van zorg, en ons werk te doordrenken met toewijding en compassie.


0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Komentarze


bottom of page