De geordende stad: waar alles op elkaar begint te lijken
- 1 dag geleden
- 7 minuten om te lezen
Essay door Tobias Arends
Laatst stond er relatief goed nieuws in de krant. Victor Orbán, de premier van Hongarije, had de verkiezingen verloren van oppositieleider Péter Magyar. Magyar, voormalig lid van Orbáns partij Fidesz, wist met beloften over structurele hervormingen het vertrouwen van een groot deel van de bevolking te winnen. Vooral het aanpakken van corruptie en het versterken van de democratische rechtsstaat stonden centraal in zijn campagne. Of hij die beloften daadwerkelijk kan waarmaken, valt nog te bezien, maar een politieke koerswijziging lijkt onvermijdelijk.
Hongarije scoorde in 2008 nog een 7,44 op de democratie-index van The Economist. Sinds het aantreden van Orbán als premier in 2010 is dat getal gezakt naar een 6,58 en daarmee valt Hongarije binnen de categorie ‘onvolledige democratie’ (The Economist, 2026). Daarnaast staat Hongarije sinds 2021 bekend als het meest corrupte land binnen de Europese Unie (Transparency International, 2026).
Sinds 2019 kan er in Hongarije per decreet geregeerd worden door de ‘staat van gevaar’ die de regeringspartij toen heeft uitgeroepen (vergelijkbaar met de poging van de PVV in 2024 om in Nederland het noodrecht in te voeren om een streng asielbeleid door te kunnen voeren). Ook mediavrijheid is geen zekerheid. Vanuit de publieke omroep wordt de overheidspropaganda verspreid terwijl de onafhankelijke media verder onder druk worden gezet. De algemene vrijheid staat daarnaast onder druk: onder andere de LHBTI+ community wordt constant zwartgemaakt (Végh, 2024). Genoeg redenen dus voor de huidige, slechte staat van de democratie. De hoop is dat die beperkte vrijheden de komende periode onder deze nieuwe –nog steeds wel radicaal-rechtse– wind zullen worden aangepakt, zodat de democratie-score ten minste weer terugkomt op het niveau van zestien jaar geleden.
Dictators staan erom bekend dat ze nieuwe bouwwerken aan hun nalatenschap toevoegen zonder ontzag voor de bestaande structuren. En hun vergaarde macht gaat niet altijd met een goed gevoel voor smaak gepaard. Door de oppositie in Hongarije werd al jaren de bouw van een landgoed in de buurt van Orbáns geboortedorp aangegrepen om de corruptie in het land aan het licht te brengen. De gebouwen en het omliggende land zijn in neoklassieke stijl ingericht en voorzien van verschillende klassieke elementen: parterres, rozentuinen, boskettes, en rechtlijnige assen. Volgens Orbán worden de twee grote zwembaden gebruikt voor het houden van schapen, hoewel er op het landgoed nooit schapen zijn waargenomen. Daarentegen lopen er wel buffels, zebra’s en antilopen over het terrein, mogelijk om op te jagen. Het landgoed ter waarde van ongeveer 15 miljoen euro is wellicht niet het belangrijkste onderdeel van de corruptie, maar wel het meest zichtbaar en werd daardoor aangewezen als het topje van de ijsberg. Op dit moment liggen de verdere lagen van corruptie nog enigszins onder water, wat betreft de openbare ruimte.

Afbeelding 1: De familievilla van Orbán in Hatvanpuszta. (Akos Hadhazy, 2024)
Voor andere recente voorbeelden van totalitaire macht in de openbare ruimte kan men in gedachten naar Boekarest ten tijde van het bewind van Nicolae Ceaușescu afreizen. Ceaușescu stond tijdens zijn regeerperiode bekend om het massaal slopen van woonwijken, iets dat menig dictator niet schuwt. Toch is het verschil dat de dictators van weleer zich minder hoefden te binden aan zoiets als ‘erfgoedbehoud’, terwijl Ceaușescu te werk ging in een wereld die inmiddels goed voor haar historische monumenten diende te zorgen. Zo begon in 1981 de sloop van de wijk Uranus ten behoeve van de bouw van het enorme parlementspaleis. Straten, woningen, tuinen en significante ‘landmarks’ zoals het Brâncovenesc ziekenhuis, het staatsarchief en vele kerken werden uit de historie gewist. Uiteindelijk zijn er 10.000 woningen gesloopt, waardoor ongeveer 50.000 mensen op andere plaatsen moesten worden ondergebracht, als ze al ergens anders konden worden ondergebracht (Bucharest, 2025).

Afbeelding 2: Kaart van de wijk Uranus met in rood het nieuw gebouwde parlementspaleis.
Een vergelijking valt te maken met de renovatie van Parijs aan de hand van Haussmann. In die periode werden 19.730 gebouwen –met daarin 120.000 woningen– gesloopt. Het belangrijke verschil is dat de hervormingen van Haussmann waren bedoeld als verbeteringen van de stad, een schril contrast met de bouw van een megalomaan parlementsgebouw. Ook werden er door Haussmann 34.000 nieuwe gebouwen gebouwd met daarin 215.300 woningen: de populatie groeide mede daardoor in die tijd niet sneller dan het aantal woningen (De Moncan, 2002). Uiteraard zijn de Haussmann-boulevards voor bepaalde mensen veel gunstiger gebleken dan voor anderen, maar dat was niet de intentie. Zelfs als sociale filtering onderdeel van de hervormingen was, werd die in ieder geval verpakt als een moderniseringsproject ten dienste van de stad als geheel.

Afbeelding 3: Een kaart die voor toeristen werd ontwikkeld waarin duidelijk de verbrede en verlengde straten van Haussmann te lezen zijn. (F. Dufour, 1878)
Leidend in al deze voorbeelden is de structuur waarbinnen ze tot stand kwamen. Er werd vanaf regeringsniveau aangestuurd en de lagere overheden en burgers hadden daar weinig tegenin te brengen. Zelfs als er in deze constructie geen sprake is van corruptie, is de democratische waarde bijzonder laag. In Nederland –het hedendaagse welteverstaan– wordt ook van bovenaf het beleid voor de openbare ruimte bepaald en wordt op gemeentelijk niveau het meest concreet gemaakt. Op nationaal niveau hebben we sinds 2025 de Nota Ruimte. Hierin wordt beschreven hoe de ruimtelijke ordening zich in ons land zou moeten ontwikkelen. Op provinciaal niveau worden door de gedeputeerden vergelijkbare visies opgesteld, vaak simpelweg Omgevingsvisie getiteld. Hierin wordt de overheidsvisie al iets concreter gemaakt. Die visies kunnen vervolgens worden opgevolgd door omgevingsverordeningen (bindend voor lagere overheden) en omgevingswetten (bindend voor iedereen). Op gemeentelijk niveau worden opnieuw visies gemaakt, op basis van de lijn die landelijk en daarna provinciaal is uitgestippeld. Daaruit vloeien vervolgens programma’s waarin de visie nóg concreter wordt gemaakt en uiteindelijk worden omgevingswetten opgesteld die voor iedereen bindend zijn.
De planvorming wordt dus het meest concreet op gemeentelijk niveau. Op dit bestuurlijke niveau is ook het meeste sprake van juridische macht. Visies zijn namelijk niet juridisch bindend en slechts sturend. Omgevingswetten daarentegen hebben wel een juridische status. Daardoor is de eerste gedachte wellicht dat de gemeenten dus alles voor het zeggen hebben op het gebied van ruimtelijke ordening, maar niets is minder waar. Hoewel visies niet juridisch bindend zijn, bestaan er verschillende processen waarmee de verschillende overheidslagen elkaar kunnen controleren. Zo oefent de provincie ‘interbestuurlijk toezicht’ uit op gemeenten en waterschappen’. Hiermee kan de provincie controleren of de lagere overheden wel binnen de vastgestelde kaders werken. In het geval dat dit niet zo is, kan er zelfs worden ingegrepen met een ‘indeplaatsstelling’, hiermee kan de provincie de taken van de gemeente overnemen als deze dermate niet naar wens waren. En ook blijft het zo dat het belangrijkste raamwerk –de Nota Ruimte– op landelijk niveau wordt opgesteld en daarna door de verschillende bestuurslagen wordt doorgegeven. In onze ruimtelijke ordening is de controle dus niet expliciet, maar impliciet.
De democratie in onze ruimtelijke ordening lijkt dus best goed in elkaar te zitten. Het plaveit de weg om bepaalde gedeelde intenties tot wasdom te laten komen. Er zijn een aantal opgaven die landelijk spelen en in vrijwel elke ontwerpopgave moeten worden meegenomen: bijvoorbeeld leefbaarheid, veiligheid, vergroening, kwaliteit van de openbare ruimte en sociale cohesie. Zo’n gedeelde agenda is gunstig voor de ontwikkeling ervan, maar bij een alom gewilde toevoeging van kwaliteit komen ook verantwoordelijkheden kijken. De definities van ‘goed’, ‘veilig’, ‘ordelijk’ en ‘aantrekkelijk’ en dus ook van ‘kwaliteit’ zijn cultureel en daardoor enorm subjectief. De vraag is dus wie bepaalt wat kwaliteit precies betekent. Achter termen als leefbaarheid, veiligheid en aantrekkelijkheid gaan impliciete ideeën schuil over hoe een buurt eruit moet zien, maar ook over hoe zij gebruikt hoort te worden.
Over de goede intenties valt simpelweg niet te twisten. Opvallend is wel dat de oplossingen voor de gedeelde problematiek steeds universeler worden, wellicht door de gedeelde aard van de opgave. Vlonderpaden, wadi’s, voedselbossen en verhoogde plantvakken zijn allemaal ingrediënten voor het recept ‘kwaliteit’. Waar voorheen bepaalde ingrediënten in slechts een aantal goed gesorteerde winkels, buurten of zelfs landen te vinden waren, zijn die nu mondiaal veel toegankelijker. Circulerende referentiebeelden laten een steeds homogenere ontwerpvisie zien, ten behoeve van een universele hang naar ‘kwaliteit’. De geschiedenis en cultuurhistorie van een plaats worden vaak nog wel meegenomen in naamgeving of het behoud van een gevel, maar het typisch dagelijkse gebruik en de sociale dynamiek van een plek kunnen door een ontwikkeling in de openbare ruimte enorm veranderen. Dus de cultuur blijft wellicht als beeld en in theorie bestaan, maar in de praktijk en dagelijkse beleving zeker niet altijd.

Afbeelding 4: Verhoogde plantvakken met zitelementen als een universeel onderdeel/ingrediënt van het recept ‘kwaliteit’ (links: Grijsen, rechts: Streetlife)


Afbeelding 5: Een goed voorbeeld van een integrale aanpak in het toevoegen van kwaliteit, belangrijk is dus om binnen al deze termen kritisch te zijn op de culturele context en beoogde doelgroep. (Project for Public Spaces, 2016)
Nieuwe stedelijke ontwikkelingen veranderen niet alleen het uiterlijk van een wijk, maar ook het ritme en gedrag binnen die wijk. Andere winkels trekken een ander publiek aan, openbare ruimte wordt intensiever gereguleerd en informele plekken verdwijnen geleidelijk uit beeld. Hoewel de precieze causaliteit lastig vast te stellen blijft, wordt bijvoorbeeld ook vergroening binnen stedenbouwkundige literatuur regelmatig in verband gebracht met processen van gentrificatie. Democratie in de ruimtelijke ordening is daardoor niet alleen een bestuurlijk speelveld. Juist ook ontwerpers hebben de macht om te bepalen voor wie er wordt ontworpen. Zijn dat de huidige bewoners, de toekomstige bewoners of is het ontwerp helemaal niet op mensen gericht? Het is belangrijk om daar in het ontwerpproces bij stil te staan. Als het toevoegen van kwaliteit het enige doel van een ontwerp is, zonder inmenging van huidige en toekomstige culturele waarden, ligt een monotoon landschap op de loer. In een monotoon landschap verdwijnen veel plekken die door de normatieve consensus rondom ‘kwaliteit’ geen plaats meer hebben (of mogen hebben) in ons dagelijks leven. Zonder zorg verliezen we mogelijk een groot deel van de eigenzinnigheid in ons openbare landschap, en dat zijn juist de plekken om even los te breken van de uniformiteit en echte authenticiteit en ‘gekkigheid’ te ervaren.
Zowel totalitaire als democratische systemen kunnen dus ruimtelijke homogeniteit produceren, zij het via totaal verschillende mechanismen. Het resultaat is in Nederland dan wellicht geen autoritaire stad, maar wel een stedelijk landschap waarin ruimtelijke afwijking en eigenzinnigheid steeds minder zichtbaar wordt. Net als in de monumentale stedenbouw van autoritaire regimes ontstaat er een sterke nadruk op orde, netheid en een gedeeld esthetisch ideaal.
Referenties
Végh, S. (2025) Hungary. Freedom House. https://freedomhouse.org/country/hungary/nations-transit/2024
Bucharest (2025) Uranus, the vanished neighborhood of old Bucharest. What once stood where the people’s house -now the palace of the parliament- rises today. Bucharest.
De Moncan, P., Heurtuex, C. (2002) Le Paris d’Haussmann. Paris: Du Mecene.
Transparency International (2026) Hungary Remains the Most Corrupt Member State of the European Union for the Fourth Consecutive Year. Transparency International.




Opmerkingen