Terreinwinst
- TOPOS

- 13 jan
- 7 minuten om te lezen
Artikel door Roos te Velde
Stedenbouwkundig ontwerper bij PosadMaxwan

Afbeelding 1: De IJsselbrug in Zwolle na hevige regenval. (Roos te Velde, 2023)
Het landschap wint terrein in de stedenbouw en herneemt haar ruimte. Bijna driekwart eeuw na de inauguratiespeech van Cornelis van Eesteren - over “de relatie tussen het algemeen stedenbouwkundig plan en de ontwikkeling van de architectuur” (Bergeijk, 2017) - durf ik te stellen dat er een nieuwe hiërarchie ontstaat tussen architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur. Dat is niet zomaar. Met alleen de planmatige maakbaarheidsblik komen we niet uit de crises die ons landschap en onze steden teisteren.
Toen ik tijdens mijn uitwisseling in Gent studeerde, merkte ik hoe anders stedenbouw zich in Vlaanderen ontwikkelde: meer vanuit het landschap en het bestaande terrein in plaats van een vooraf bedacht plan. In Vlaanderen ontstaat het vak pas in de afgelopen paar decennia en daardoor op een andere manier; minder gebonden aan het planmatige bouwkundige ordenen. Dat verschil zette me aan het denken over onze eigen traditie: in een samenleving die al eeuwenlang tegen het water en de natuurwetten in verkavelt en bouwt, is de verschuiving naar een landschappelijke logica een culturele omslag.
Voor dit artikel ga ik in gesprek met Rients Dijkstra (partner bij PosadMaxwan), over die omslag: over ons vak en de verhouding tussen stedenbouw, landschapsarchitectuur en architectuur. Vindt er inderdaad een herpositionering plaats, en waarom juist nu? Hoe was die verhouding in onze studietijd, en hoe zien we dat terug in de projecten van vandaag?
Een terugblik: het planmatige Nederland
Om te begrijpen waar die verhouding vandaan komt, moeten we terug naar de lezing van Van Eesteren uit 1954. Zijn gevonden relatie tussen stedenbouw en architectuur kwam niet uit de lucht vallen. Het eerste is uit de ander ontstaan. In de Woningwet van 1901 werd vastgelegd dat de overheid verantwoordelijk was voor gezonde en betaalbare huisvesting. Daarmee begon een grootschalige, georganiseerde aanpak van het wonen en onze steden; het inmiddels bijna nostalgische begrip volkshuisvesting (Wagenaar, 2015; Lorzing, 2021).
Die aanpak paste naadloos in een cultuur van een land dat al eeuwen gewend was te plannen. Onszelf beschermend tegen het water en dienend naar de landbouwvoorziening, werkten we het landschap naar onze hand. Die beheersingsdrang van water, grond en ruimte vormt nog steeds de onderstroom van onze stedenbouwkundige traditie. Het stedelijk netwerk groeide namelijk mee met die logica. Toen er op een grotere schaal over de uitbreiding van een stad moest worden nagedacht, voelden architecten als Berlage en Granpré Moliere zich niet ongemakkelijk om gewoon wat groter te denken. De eerste stedenbouwers waren architecten die hun werk op grotere schaal uitbreiden. Zij vonden een samenhang tussen architectuur en stedenbouw en bewerkstelligden een strakke planning van de functionele invulling van de stad (Heeling, et al., 2002).
Cornelis van Eesteren en Theodoor Karel van Lohuizen zetten later de toon voor het vak: visie én uitvoering hand in hand. Toen Rients, afgestudeerd eind jaren tachtig en nu als docent verbonden aan de opleiding in Delft, met zijn generatiegenoten recentelijk probeerden vast te leggen wat Nederlandse stedenbouw kenmerkt, stuitten ze niet toevallig op deze twee heren (Dijkstra et al., 2021). ‘Visionair denken en die visie omzetten naar concrete voorstellen’ als één van de ingrediënten van een complete stedenbouw is iets wat ze ook tegenkwamen bij Van Eesteren en Van Lohuizen.
Groots in stedenbouw
In de tweede helft van de twintigste eeuw bereikte de maakbare stad haar hoogtepunt. Stedenbouw ontwikkelde zich tot een zelfstandige discipline, los van de architectuur. De politieke overtuigingen van de tijd zoals het geloof in vooruitgang, rationaliteit en grootschalige planning legden de basis. Maar wat zou stedenbouw zijn zonder de strakke ordening van het modernisme of het planmatige karakter van de volkshuisvesting? Er vond een herdefiniëring plaats die steeds meer vorm kreeg. Elke Nota Ruimtelijke Ordening weerspiegelde een uitvoering van de nieuwe definitie of trend in de stedenbouw. De Vinex-periode van de jaren negentig vormde een uiting van de professionele zelfverzekerdheid. Ontwerpers als Riek Bakker en Rients Dijkstra realiseerden grootschalige Vinex-uitbreidingen: zorgvuldig gepland en tot in detail geregisseerd.
‘De stedenbouwkundigen van de gemeente gebruikten een vreemd taaltje,’ vertelt Rients over zijn jonge jaren, werkend aan Leidsche Rijn, één van die Vinexlocaties. ‘Steeds hadden ze het over morfologie en lange lijnen. Dan vroeg ik: “Waarom moeten de lijnen lang zijn? Mogen ze niet ook kort zijn?”’ Die ironie typeert zijn houding: kritisch op de jargonrijke abstractie en een zeker zelfingenomenheid van het vak, maar wel overtuigd van het belang van het zoeken naar onderliggende structuren. Het laat zien hoe de stedenbouw toen balanceerde tussen concept en realiteit.
Wanneer Rients terugkijkt op Leidsche Rijn klinken dezelfde spanningsvelden door. “Die snelweg (A2) ondertunnelen was een gouden vondst en die oplossing zou ik nu opnieuw voorstellen. Het levert enorm veel ruimte op en brengt twee stukken stad veel dichter bij elkaar.” Ook de strategie van verschillende dichtheden en een mix van programma op verschillende plekken is iets wat hij vandaag weer zou doen, iets wat onvermijdelijk is bij aantallen in de tienduizenden. “Maar wat me stoort,” vervolgt Rients, “is dat we altijd kiezen om te investeren in een paar mooie pleinen, entrees of parken, en de rest van de straten overlaten aan mobiliteit en beheer. Laten we broodbakkers worden in plaats van banketbakkers.”
In die opmerking klinkt een subtiele verschuiving: van de perfect geregisseerde stad naar een robuustere, meer alledaagse stedenbouw die ruimte laat voor het landschap, voor het onvolmaakte en het lerende.

Afbeelding 2: Aanleg van de A2 tunnel. Op de tunnel is een groot park aangelegd dat Leidsche Rijn met de binnenstad van Utrecht verbindt. (Bron: Aerophotostock, 2011)
Het landschap spreekt terug
Terwijl de stedenbouw in de jaren negentig nog vertrouwen had in haar grootschalige, geregisseerde aanpak, waarin landschapsarchitectuur zeker al wel een rol speelde, laten de recente uitdagingen zien dat de grond waarop we bouwen nu terugpraat. Klimaatverandering, bodemdaling en biodiversiteit zetten het landschap opnieuw op de agenda en laten zien dat de grenzen van de draagkracht van ons land in zicht komt. Dat vraagt om een andere manier van ontwerpen. De slogan water en bodem sturend markeert niet alleen een beleidsverandering, maar ook een mentale omkering: van bouwen op de grond naar bouwen met de grond.
Als stedenbouwkundigen zijn we nog niet gewend om de ondergrondse wereld zo intensief te betrekken bij onze ontwerpprocessen voor straten, parken en gebouwen. Het is van vitaal belang om deze essentiële hulpbron op te nemen in onze ontwerpen, modellen en concepten om zo een duurzame toekomst te realiseren. Opvallend is dat dat vanzelfsprekend wordt bij het ontwerpen voor een leefbare toekomst. Toen ik in mijn afstuderen alternatieve groeitoekomsten voor de regio Zwolle ontwerpend onderzocht, kwam ik automatisch uit bij het bodem- en watersysteem. Als je binnen de grenzen van de planeet wilt ontwerpen en tegelijkertijd aan een sociaal minimum wilt voldoen, dringt de bodem zich al snel op als bepalende factor. Drassige gronden, bijvoorbeeld, zijn niet alleen ongeschikt om op te bouwen, maar kunnen zelfs zulke veiligheidsrisico’s opleveren dat ze onder het sociaal aanvaardbare minimum zakken.
De lagenbenadering van Ian McHarg (1996) is inmiddels standaard in het onderwijs en leert ontwerpers een plek te lezen in drie lagen: ondergrond, netwerken en gebruik. Tegenwoordig gebruiken we die methodiek ook in ons ontwerp, zoals in de “omgekeerde driehoek” die PosadMaxwan ontwikkelde in een onderzoek naar gezond ontwerpen voor de Provincie Zuid-Holland (2022): eerst het landschap, dan de netwerken, en pas dan de gebouwen. Zo ontwerp je altijd vanuit de draagkracht van een plek en niet vanuit een plan met aantallen.

Afbeelding 3: Ontwerpen vanuit Positieve Gezondheid. (Bron: PosadMaxwan en Provincie Zuid-Holland, 2023)
Het omkeren van de ontwerplogica is precies het teken dat het landschap terrein wint. Ze neemt haar ruimte in in vierkante meters, maar ook in prioriteit en manier van denken. Op kleinere schaal vertaalt zich dat in het “bouwen vanuit de bodem”: ontwerpen die rekening houden met de draagkracht van klei en veen, infiltratie en microtopografie (PosadMaxwan en Gemeente Rotterdam, 2024). Op grotere schaal speelt deze benadering een cruciale rol bij het ondersteunen van ecosystemen, het reguleren van het klimaat en het in stand houden van leven op aarde. Pas wanneer bodem wordt gezien als een levend systeem, en niet als passieve ondergrond of bouwtechnische restvoorwaarde, kan zij haar noodzakelijke functies vervullen (Rizzetto et al., 2025). Dat vraagt niet alleen iets van wat er ín het ontwerp gebeurt, maar verschuift ook de ontwerphouding zelf: van lineair naar iteratief en systeemgericht denken.

Afbeelding 4: De Westblaak als casus in het handboek Ontwerpen voor een vitale bodem in stedelijke gebieden. (Bron: PosadMaxwan en Provincie Zuid-Holland, 2023)
Het lerende landschap
Het landschap is terug, niet als romantisch decor, maar als ontwerpend en normatief kader. De klimaatcrisis dwingt ons om opnieuw te luisteren naar de grond, het water en de ecologische samenhang. Waar Nederland zich ooit onderscheidde door zijn planmatigheid, moet het zich nu opnieuw leren onderscheiden door zijn aanpassingsvermogen. En opvallend genoeg kunnen we daarvoor leren van landen die die planmatigheid nooit kenden. Het vraagt niet om minder planning, maar om een andere planning. Daarbij is een nuance belangrijk: bouwen vanuit de bodem is nodig, maar het betekent niet dat de bodem alles dicteert - al zouden we het willen. Er zijn ook andere thema’s die richting en structuur geven aan een plek. En daar schuilt de essentie van goed stedenbouwkundig ontwerp: niet kiezen tussen structuren of thema’s, maar ze met elkaar leren laten werken.
Referenties
Bergeijk, H. van (2017). Van Lohuizen and Van Eesteren – partners in planning and education at TH Delft. TU Delft
Dijkstra, R., van Dorst, M, van Ham, M., Nijhuis, S (2021). The Delft Approach to Urbanism. TU Delft.
Ghosh, A. (2023). De vloek van de nootmuskaat: Boodschap aan een planeet in crisis. Atlas Contact.
Heeling, J., Meyer, H., & Westrik, J. (2002). Het ontwerp van de stadsplattegrond.
Hickel, J. (2020). Less is More: How Degrowth Will Save the World. Random House.
de Jonge, J. M. (2009). Landscape architecture between politics and science: an integrative perspective on landscape
planning and design in the network society. [Internal PhD, WU, Wageningen University].
Lörzing, H. (2021). Een land waarover is nagedacht. Een eeuw ruimtelijke ordening in Nederland.
McHarg, I. L. (1995). Design with nature. Turtleback.
PosadMaxwan & Gemeente Rotterdam. (2024). Handboek Ontwerpen voor een vitale bodem in stedelijke gebieden:
De casus Westblaak, Rotterdam. https://posadmaxwan.nl/projects/bouwen-vanuit-de-bodem
Rizzetto, F., Thomas, L., Babu, G., & Furlan, C. (2025). Designing with and for Vital Soil in Urban Areas. Ecologies Of
Desealing, 96–115. https://doi.org/10.7413/1234-1234077
Thomas, L (2025, 19 augustus) Bodem was toch al sturend? [Post] LinkedIn.
Wagenaar, C. (2015). Town Planning in the Netherlands Since 1800: Responses to Enlightenment Ideas and
Geopolitical Realities. Nai010 Publishers.







Opmerkingen