top of page

Krijgt Wageningen een Wageningse campus? Over het belang van een volgehouden eenheid van handelen


Article Campus special by Pieter Boone.


Dit artikel is het tweede van de bijdragen die TOPOS publiceert in de komende weken over de Wageningen Campus. Vanuit de invalshoek van verschillende onderzoekers en belanghebbenden geven we een kijkje in de wereld van de campus. Deze week: Pieter Boone, landschapsarchitect bij Alterra.

Wageningen campus leeft! Ik maak mijn eerste voorjaar mee op de campus en het is mij duidelijk: de campus bruist van de activiteit. Het is op diverse plekken druk: groepjes studenten lopen, staan en zitten overal. Parkeerruimte is een schaars goed en er wordt voortdurend gebouwd en aangevuld. De campus geeft de indruk van een grote mate van dynamiek en dat geeft mij een goed gevoel en versterkt mijn trots om voor Wageningen UR (i.c. Alterra) te mogen werken. Als landschapsarchitect gaat mijn aandacht natuurlijk ook uit naar de ruimtelijke setting van de campus en daar valt het een en ander over op te merken.

Op het werk hoor ik daar ook veel opmerkingen over en die gaan over het gebrek aan gebruiksmogelijkheden en de inrichting van met name het centrale, open deel van de campus. Blijkbaar kunnen veel medewerkers zich niet goed met die inrichting identificeren. Daarop doorvragend blijkt het vooral te gaan om de wens tot een meer natuurlijke uitstraling en/of een inrichting die het ‘groene’ en onderzoekende karakter van de universiteit weerspiegelt. De huidige inrichting zou te weinig die identiteit versterken. Het is goed om kort terug te keren naar het oorspronkelijk concept/ontwerp (bureau B+B i.s.m. LoosvanVliet) voor de openbare ruimte van Wageningen campus. Dit is pas ongeveer 10 jaar oud. Ik citeer (bron bplusb.nl):

“Alle nieuw te ontwikkelen bebouwing wordt gesitueerd rondom een open midden. Dit open middengedeelte is de ruimtelijke drager voor het gebied. Het geeft het terrein zijn specifieke karakter en maakt dat het terrein een eenheid wordt. In het open midden kunnen bijzondere gebouwen gesitueerd worden (…). De Mansholtlaan loopt direct langs dit open gebied, waarmee De Born herkenbaar is gesitueerd aan de hoofd-entree van Wageningen. Rondom het open midden ligt een rondweg die de hoofdontsluiting is voor alle omliggende kavels(…).



Afbeeldingen uit het originele plan voor de campus




Het ontwerp voor de universiteitscampus kenmerkt zich door zijn eenvoudige opzet: het parkachtige open middengebied met daarin een aantal compacte hoge gebouwen met er omheen een rand van compacte lagere bebouwing. Ieder gebouw in de rand staat op een eigen kavel, een tuin met een eigen identiteit. De tuinen kunnen iets laten zien van de kenniseenheid waartoe ze behoren. Zo zijn er onder andere ecologische tuinen, gasttuinen, ziektetuinen en watertuinen”.

Met dit concept is niets mis. Het maakt ook meteen duidelijk waar mogelijk de schoen wringt; die tuinen van de omringende bebouwing zijn er niet gekomen, zijn opgenomen in de bebouwing of lijken in hun uitwerking sterk op de centrale ruimte. Zo kan ik ook begrijpen hoe wat ik zie en wat ik hoor zich tot elkaar verhouden. De roep om meer diverse gebruiksmogelijkheden komt nu regelrecht op de centrale ruimte af. Die druk is uiteindelijk niet te weerstaan – dient waarschijnlijk ook niet weerstaan te worden – en leidt, gegeven tijdsdruk en een ondermaats budget, tot ad hoc handelen en onvoldoende kwaliteit wegens geldgebrek. Dit leidt tot het ondermijnen van de eenheid in het terrein.

Ik hoop dat duidelijk wordt dat de inrichting van de campus op een t-splitsing is beland. Het is nu rechtsaf; iedere komende of reeds voorgenomen ingreep zorgvuldig waarderen op basis van het oorspronkelijke concept en op basis hiervan stringente randvoorwaarden aan de ontwerper mee geven (N.B. die ontwerper is er nu niet!). Veel wensen zullen sneuvelen omdat ze het concept afbreken, veel bestaande ingrepen zullen opnieuw in dit licht aangepakt moeten worden.

Of, linksaf; een nieuw inrichtingsconcept ontwikkelen dat meer ontvankelijk voor of gebaseerd is op de vragen en wensen die alom leven. Dit concept tendeert naar een campus als proeftuin, laboratorium, natuurterrein, gegeven het commentaar op de huidige inrichting. De eerste vraag daarbij moet zijn of een dergelijk nieuw concept de merknaam of identiteit (‘branding’) van Wageningen UR beter vertegenwoordigd. Confrontatie van dit nieuwe concept met de huidige situatie geeft inzicht in benodigde ingrepen en bijbehorende budgetten.

Rechtsaf, linksaf, hoe dan ook, de achtergrond van mijn suggesties is het besef dat ruimtelijke kwaliteit in vooral de groene openbare ruimte staat of valt met wat Eric Luiten (Rijksadviseur voor landschap en water) zo treffend een ‘volgehouden eenheid van handelen’ noemt. Van bestuurlijke visie tot de onderhoudsdienst…..consistent handelen ‘door de schaalniveaus heen’ is een vereiste en heeft de prettige eigenschap de kwestie mooi of lelijk niet voorop te stellen. Wel maakt dit de wording van een ontwerp navolgbaar en wordt het bestaan van ruimtelijke ingrepen, mits consistent uitgevoerd, ‘zelfverklarend’. En dit is in de landschapsarchitectuur ten dienste van het publieke domein essentieel: een ruimte die zónder informatiebord begrepen kan worden en op logische wijze vorm en functie koppelt.

Op genoemde stellingname bestaan gelukkig uitzonderingen maar de ‘volgehouden eenheid van handelen’ is nu precies wat er op de campus van Wageningen UR in gevaar lijkt te komen en daarmee zit vooral de maaiveldontwikkeling van de campus in een fase die naar ik vrees steeds meer hybridiseert en daarmee steeds meer geforceerd gaat ogen.

Dit tij valt te keren mits een paar keuzes gemaakt worden. De belangrijkste is of we rechts- of linksaf op voorgenoemde splitsing gaan. Een keuze die op conceptniveau gewogen en gemaakt dient te worden, inclusief een afweging met betrekking tot het benodigde budget. Het heeft ten slotte geen zin te kiezen voor iets dat simpelweg de komende jaren niet betaald kan worden. Maar evengoed moet hier gesteld worden dat het bijsturen op ruimtelijke kwaliteit lang niet altijd meer geld hoeft te kosten.

Een tweede keuze betreft het proces van ontwikkeling van de ruimtelijke inrichting. De procesvoering is nu nog van een inmiddels gepasseerd tijdsgewricht. Het is de vorm waarin masterplan, inspraak en inpassing de trefwoorden zijn. We zien die worsteling overal en op alle niveaus in Nederland en de ervaring leert dat zaken als ‘branding’, co-creatie en interactief ontwerp nu veel beter werken. Het vraagt lef die verandering in te zetten.

Tot slot: op een plaats waar de ontwerpopgave zo veel dagelijkse aandacht krijgt, verdient het die aandacht ook. Dit kan door een ervaren ruimtelijk ontwerper in het ontwikkelteam aan te stellen. Daarnaast lijkt mij een ruimtelijk geschoolde supervisor die de ‘volgehouden eenheid van handelen’ helpt bewaken niet een luxe maar een noodzaak. Het vreemde is dat ik onlangs heb gelezen dat die supervisie indertijd met het inschakelen van bureau B+B belegd werd bij bureau LoosvanVliet. Er zou bovendien tevens sprake zijn van supervisie vanuit de gemeente Wageningen. Ik ga er van uit dat ik derhalve niets nieuws voorstel maar iets dat ooit was of bedoeld was. Dat maakt het overigens niet minder nodig.

Laat ik kleur bekennen. Ik denk dat een herbezinning op het oorspronkelijke ruimtelijke concept nodig is. Een bewuste afweging op basis van de vraag wat de bedoeling was en hoe we die uitgangspunten kunnen uitwerken voor de toekomst. Meer consistentie in de detaillering van de inrichting van het maaiveld zal de ruimtelijk eenheid ten goede komen en de gebruikers van de campus aan zich binden. Daarmee ontstaat een meer zelfbewuste uitstraling. Er is maar één Wageningse campus en daar ben ik trots op!

Dit artikel is de tweede in een reeks over de Wageningse Campus. De komende weken verschijnen er meer opiniërende stukken of stukken vanuit een bepaalde (academische) achtergrond.


juni 15, 2015

0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page