Sublieme eenvoud

eemdijk

_COLUMN_ door Lars Uphus

Ik was ver van huis. Althans, zo voelde het. Weg van alle warmte, van de lieflijkheid, van charme, van subtiliteit. Met iedere omwenteling die ik maakte – fietsers trappen, wielrenners maken omwentelingen – voelde ik me verder verwijderd van dit alles. De leegte, de eenvoud en het ritme van het landschap maakten een gevoel van nietigheid, onderdanigheid bij me los. Het klopte ook niet. 50-60 jaar geleden zou ik hier nog op een zeebodem gereden hebben en overspoeld worden door metershoge golven, meegesleurd door moeder natuur. Het water is weliswaar verdwenen, de dramatiek is gebleven.

Toen ik die morgen de kaart bestudeerde, nam ik me voor een grote ronde te maken. Ik zou vanuit Wageningen de Veluweflank noordwaarts volgen en terugzakken over de Utrechtse Heuvelrug, met als middenstuk de Flevopolder. Een keer eerder slechts had ik me op dat grondgebied begeven. Dat was tijdens een omweg op een excursie; met de auto wel te verstaan. Dit keer wilde ik het in al zijn puurheid ervaren. Op het stuk over de dijk verheugde ik met het meest. Ik was benieuwd of zo’n landschap op mij als Limburger indruk zou kunnen maken.

Als landschapper probeer ik altijd de schoonheid van ieder landschap te ontdekken. Vanaf het begin van mijn studietijd is mij geleerd schoonheid op te delen in (i) ‘beauty’, ook wel de schoonheid van het alledaagse, (ii) het pittoreske (schilderachtige), en (iii) het sublieme, dramatische. Fietsend door Flevoland probeerde ik dit landschap te categoriseren. Pittoresk was het in ieder geval niet. Fraai, alledaags schoon kwam al meer in de buurt. Maar de eenvoud ervan was zo ultiem, dat er maar een woord bij paste: subliem. Dat was het. Een kunstwerk, dat ook. Vol rechtlijnigheid: een ode aan de bevrijding van het vierkant. Het had een schilderij van Mondriaan kunnen zijn, als ik een bekende landschapsarchitect mag geloven. En inderdaad, hoezeer ik ook mijn best deed: de enige ronde vorm die ik in mijn zichtveld kon ontdekken was mijn eigen voorwiel, dat schuin stond door de felle zijwind. Dit was tevens de enige manier om mijn vooruitgang te ervaren. Die was niet af te lezen aan de immense vierkante lappen gras, omringd door kaarsrechte sloten en rijen windmolens, in een perfect metrum achter elkaar geplaatst. Gevaartes waren het, monsters, als je de eerste van zo’n rij, loodrecht op de weg, bijna rakelings passeerde.

Ik had het gevoel dat ik me in een muziekstuk zonder melodie bevond. Slechts het ritme was aanwezig. Alleen de drummer speelde. De gitarist ontbrak, de zanger ook. Laat staan de saxofonist. Ik miste ze. Maar de drummer speelde prachtig, althans, subliem. Zo subliem, dat hij de andere muzikanten spontaan hun instrumenten deed laten vallen. Ik genoot ervan.

En dan… dan doemt in de verte de dijk op. Ik verheug me, het kriebelt. Ik kan niet zien wat erachter ligt. Daar is hij, nu al. Ik mag de dijk op. Ik ga op mijn pedalen staan en dans, dans, dans. Boven. Oef. Windvlaag. Snel gaan zitten. Wow. Heel veel water links. Even slikken. Een oneindigheid aan weide rechts. En windmolens. Rijen aan windmolens. Wind op de kop. Stoempen. Mijn benen verzuren langzaam, alsof de koude wind erin kruipt. Ik kan geen omwentelingen meer maken. Ik trap. Ik trap alsof mijn leven er vanaf hangt. Aan de lap asfalt voor me lijkt geen einde te komen. Ondertussen speelt de drummer door. Het land wordt bewerkt. De windmolens blijven draaien, draaien, draaien. De brug in de verte die me van dit drama moet gaan verlossen, mij terug zal brengen naar de lieve, leuke, gezellige, fijne en pittoreske wereld, komt maar niet dichterbij. Voorlopig fiets ik hier en lijd ik. Op een dijk. Links water, rechts gras. Hoe subliem kan eenvoud zijn?

Reacties zijn gesloten.