Op weg naar nieuwe energielandschappen

Op weg naar nieuwe energielandschappen

_ARTIKEL_ door Henk Baas

Ik gebruik hem tegenwoordig heel vaak, de zin: “de enige constante in het landschap is verandering”. Dat om aan te geven dat de erfgoedbenadering ten aanzien van landschap behoorlijk verschilt van die bij de gebouwde monumentenzorg, of de archeologie. Landschappelijke erfgoedzorg kan weliswaar gaan over het behouden van objecten, of structuren, maar als we het hebben over landschappen als ruimtelijke eenheden, dan gaat het om management of change. Zo is het ook omschreven in de Rijksvisie Erfgoed en Ruimte, de rijksvisie op de omgang met cultureel erfgoed.

Het landschap is in beweging. Feitelijk staan we aan het begin van wat ik “de derde transitie” noem. De eerste transitie was die van de landinrichting. Hoofddoel was het verbeteren van de productieomstandigheden van de agrarische sector. Vanaf de jaren 80 kwam er een tweede transitie op gang. Naast de landbouw werden tevens natuur en recreatie belangrijke beleidsdoelen. Er werd gestart met de aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en met groene recreatiegebieden rond de grote steden (RODS, bufferzones). De beide transities kenmerkten zich door een top-down structuur, waarbij het Rijk aan zet was. Inmiddels zijn we in een nieuwe transitie beland, die veel diffuser van aard is, en wordt ingegeven door veranderingen in beleid en economische omstandigheden. Het is niet meer het Rijk dat vooral aan zet is, het zijn nu vooral de lagere overheden. Bovendien wordt er meer verantwoordelijkheid neergelegd bij de burger.

Traditioneel landschap
Traditioneel landschap

De economische-/bankencrisis, de voortgaande schaalvergroting in de agrarische sector, de bezuinigingen in het natuurbeheer en in de publieke sector (subsidies), de crisis in de vastgoedsector en de krimp die zich in delen van Nederland manifesteert. Zomaar wat ontwikkelingen die impact zullen hebben op het landschap. Wie zijn de nieuwe eigenaren en wat zijn de nieuwe dragers van het landschap? Die vraag zal de komende jaren de agenda voor het landschap bepalen. De verwachting is dat door bovengenoemde ontwikkelingen tienduizenden hectares en duizenden gebouwen in het landelijk gebied ‘op drift’ raken. Waar in de eerdere transities boeren en natuurorganisaties min of meer gegarandeerde afnemers voor vrijkomende gronden waren, staan op dit moment – door de economische crisis en bezuinigingen – nieuwe eigenaren niet in de rij.

Hierdoor zijn publieke en private partijen een ware zoektocht begonnen naar partijen die nog wel willen investeren in het landelijk gebied. Bij deze zoektocht wordt eerst gekeken naar de traditionele ruimtevragers die zich er toch al manifesteerden. Het gaat om grote ruimtevragers, als de waterveiligheid (Deltaplan!) en natuur- of CO2 compensatie; maar ook om nichemarkten in de woningbouw (knooperven, woongroepen), agrarische sector (kinderopvang op de boerderij) of zorgsector (zorglandgoederen). En niet te vergeten de omvorming  van ons landschap in het kader van de energietransitie: ruimte geven aan meer duurzame energie (zon, wind, water en biomassa). Voormalig provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit (PARK) van de provincie Noord-Holland, Miranda Reitsma, zag dit ook. Zij zei in haar publicatie ‘Nieuw landschappen’ het volgende: “Het is als een stille revolutie. De nieuw opgaven zullen leiden tot compleet andere landschappen die de komende decennia de aanblik van het landelijk gebied bepalen”.

Traditioneel energielandschap
Traditioneel energielandschap

De overheid wil minder afhankelijkheid van traditionele, fossiele brandstoffen, en heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) als ‘Nationaal Belang’ opgenomen dat er ruimte moet komen voor “het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie”. De Europese roadmap 2050 gaat uit van een CO2-reductie van 80% in 2050. Dat betekent dus een enorme omslag in ons denken over energie, vooral ook aan de productiekant. In het advies ‘Remmen Los’ doen de Raden voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) vijf aanbevelingen om de energietransitie in Nederland te versnellen. Eén gaat over de ruimtelijke component: neem belemmeringen in de ruimtelijke ordening weg. Blijkbaar wringt daar deels de schoen. Volgens landschapsarchitect Dirk Sijmons moeten we de emoties die gepaard gaan met de nieuwe energieopwekking uiterst serieus nemen. Want waar de huidige energievoorziening zich grotendeels ondergronds afspeelt (via leidingen), zal de nieuwe energiehuishouding zeer zichtbaar in het landschap aanwezig zijn. Via windturbines, via zonnepanelen en via nieuwe biogewassen, zoals olifantengras of wilgenplantages.

Maar er ligt ook een kans voor het traditionele, historische cultuurlandschap. Want heeft dit landschap geen probleem wat betreft beheer? Dit is kostbaar, wordt niet als rendabel ervaren, wordt belemmerd door regelgeving en subsidieverordeningen, kortom: eigenaren van landschapselementen worden met een probleem opgezadeld. Wellicht kan de energietransitie hen tegemoet komen? Een interessante gedachte om uit te werken, op regionaal schaalniveau wat mij betreft. Komen hier de historisch-landschappelijke regio’s zoals ‘De Achterhoek’ of ‘Het Westerkwartier’ weer in beeld?

DSC_1285
Lakenvelders

Wat interessantis, is om die initiatieven in historische context te plaatsen. Want feitelijk is ons hele landschap altijd een energielandschap geweest. Sporen van die energiewinning zijn tegenwoordig beschermd als natuurgebied, of kennen we hoge cultuurhistorische waarde toe. Tom Bade heeft daar in zijn boek ‘Het Energielandschap’ uitgebreid over verhaald. Natuurgebieden zoals het Nationaal Park Weerribben-Wieden zijn eigenlijk een  “ecologisch rampenlandschap”, ontstaan als gevolg van het winnen van turf. Het hout op de Veluwe was bedoeld als paalhout in de mijnen, waar steenkool werd gewonnen. Het landschap in de Achterhoek leverde hout, dat weer als houtskool in de hoogovens van de DRU terecht kwam. Ons hele landschap vertoont sporen van de winning van turf, hout, houtskool, steenkool en gas. En in het huidige landschap zien we ook allerlei sporen die samenhangen met deze vormen van energie, zoals elektriciteitsmasten, of heuse energielandschappen, zoals het Botlekgebied. In toenemende mate verschijnen enorme windturbines in het landschap. En daar zijn we heel erg bang voor met zijn allen. Overal waar nieuwe windparken zijn gepland, of het nu in de Noordoostpolder is, of in de Drentse Veenkoloniën, valt grote maatschappelijke onrust ons ten deel.

"Wind" molen
“Wind” molen

De energieopwekking van fossiele brandstoffen was en is centraal georganiseerd, via grote (staats)bedrijven. De nieuwe generatie energielandschappen worden op de tussenschaal van de regio georganiseerd, met behulp van lokale energienetwerken. De regio beschikt over een bepaalde hoeveelheid ‘energie’ (de energiepotentie), afhankelijk van het landschap.  En hier komt ook het denken vanuit cultureel erfgoed om de hoek kijken. Hoe passen deze nieuwe ontwikkelingen in oude historische landschappen? Hoe behouden we landschappelijke kwaliteit? En wie is hiervoor verantwoordelijk? Is dat de markt, de overheid, de samenleving, of een combinatie van dit alles. Ekko van Ierland, hoogleraar milieueconomie aan de WUR, is daar heel helder over: de overheid is hoeder van het publieke belang, waarbinnen ook het landschap valt. “Het is een kerntaak van de overheid om de kwaliteit van het Nederlandse landschap te beschermen en in stand te houden, en waar mogelijk deze kwaliteit te versterken”, aldus Van Ierland in de publicatie ‘De toekomst van het Nederlandse landschap’ (2008). Het overlaten aan de marktkrachten zou funest zijn voor kwaliteit, “omdat individuen vanwege het free rider-principe onvoldoende bereid zijn offers te brengen om de kwaliteit van het landschap te beschermen”. Ze willen wel van een mooi landschap genieten, maar laten het graag over aan anderen om de kwaliteit in stand te houden en de kosten te dragen die daaraan verbonden zijn. Uitdagingen genoeg voor de komende 20 jaar.