Krimp en participatie vragen om nieuwe rollen

IMG_4068 kleiner

_OVERIGE_ door Abel Coenen

Verslag symposium “Landschap en krimp in een participatie-samenleving”

De studievereniging van Landschapsarchitectuur en Ruimtelijke Planning wil verder kijken dan de traditionele inhoud van het onderwijs. Dat bewees het door studenten georganiseerde symposium over krimp en participatie. Op woensdagavond 27 november kwamen zo’n dertig studenten bij elkaar voor een inhoudelijke stand van zaken van de ruimtelijke ordening. Een fijne avond met goede sprekers, interessante topics, en even zo scherpe reacties van het publiek.

“De ruimtelijke planvorming loopt vast”, zo begint spreker Sjors de Vries zijn verhaal. Sjors is oprichter en redacteur bij RUIMTEVOLK, het online mediaplatform dat in het leven is geroepen om nieuwe vormen van ruimtelijke ordening te verkennen en te bespreken. Daarnaast houdt hij zich ook in de praktijk bezig met stedelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening en stedelijke revitaliseringsprojecten.

Hij schetst de transitie van de vakwereld die eerst in het teken stond van snelle ontwikkeling – “bouwen, bouwen, bouwen” – en nu tot een einde is gekomen. Bekende voorbeelden hiervan zijn veelal ontleend aan de stedelijke omgeving: leegstand in de kantorensector, op bedrijventerreinen en in fabriekspanden, maar ook middenin de woonwijken (garages, scholen, kerken) en op het platteland. De druk op ruimte neemt af, met als gevolg waardedaling. Resultaat: een gestresste ruimtelijke ordening, waarin ruimte vrijkomt voor nieuwe ontwikkelingen.

En dat laatste is precies waar Sjors enthousiast van wordt en waar ook de basis van zijn RUIMTEVOLK ligt: het zoeken en verbreden van de horizon van de ruimtelijke ordening. Nieuwe processen spelen hierin een belangrijke rol, zoals nieuw eigenaarschap (niet alleen van de elite, maar van iedereen), nieuwe verantwoordelijkheid (samen werken aan de openbare ruimte) en nieuw kapitaal (crowdfunding en directe financiering door de gebruikers). In deze context zijn termen als krimp en participatie wellicht niet gepast, maar moeten we eerder spreken van een tijd van ontspanning en transitie.

Momenteel spelen een hoop maatschappelijke trends die een rol kunnen spelen in die nieuwe ruimtelijke ordening: de informatiesamenleving waarbij iedereen een online toegang heeft via zijn telefoon, zijn bestanden deelt via Dropbox, continu in contact staat met zijn kennissen en vrienden via social media, en waarbij 3D-printen het mogelijk maakt om overal producten te maken (misschien wel de oplossing voor krimpregio’s?). Maar ook de meer procesmatige en architectonische kanten als het Smart City-concept en crowdsourcing-media zoals www.verbeterdebuurt.nl zijn interessant. Dit zijn ontwikkelingen die nu gaande zijn.

Dit heeft effect op hoe projecten tot stand komen. Je ziet nu al gebeuren dat dorpelingen zich groeperen en zelf een toekomstvisie opstellen; de professional of ontwerper werkt hierbij hooguit faciliterend of ondersteunend. Bewijzen hiervoor zijn er volgens Sjors de Vries te over. Projecten als de Roofgarden en het Coehoorngebied in Arnhem, het Schieblock in Rotterdam, de Cartesiusweg in Utrecht en de Prinzessinnengarten in Berlijn zijn de bekende voorbeelden van dergelijke bewonersinitatieven. Maar ook de kleinschaligere initiatieven in bijvoorbeeld Groningese Hornhuizen of het Friese Reduzum dragen bij aan deze nieuwe vorm van ruimtelijke ontwikkeling. Overigens is dit niet alleen weggelegd voor de culturele elite of hoogopgeleiden, zoals critici soms aanvoeren, maar werkt het door in alle lagen van de samenleving, als die al bestaan. Praktisch is wellicht degene met het meeste ondernemersschap de initator van een project, de zogenaamde game changer, maar kan het project vervolgens alleen slagen als het wordt gedragen en opgepakt door het hele dorp. Alleen dan is er een slagingskans.

Voor degenen die deze overdaad aan informatie en voorbeelden te overweldigd vinden, vat Sjors de boodschap nog eens samen in 10 punten. Daarvan het meest in het oog springend is die van de nieuwe rol van de ruimtelijk ontwerper. Deze wordt veel “zachter” en verandert van de tekenaar naar de ondernemer, de strateeg, de artiest of de uitvinder. Geen Van Eesteren, maar eerder een Jane Jacobs. Terechte vraag daarom: kunnen we als (aankomend) ontwerpers en planners al deze verantwoordelijkheid en chaos wel aan? Sjors is ervan overtuigd dat er altijd mensen nodig zullen zijn die het overzicht kunnen bewaken en die meerdere bijdragen tot één verhaal kunnen smeden. Het is de kunst om hier voor jezelf een rol in te vinden, dan kom je die chaos wel door.

De presentatie van Sjors de Vries (RUIMTEVOLK).  © Sascha Geneste

De presentatie van Sjors de Vries (RUIMTEVOLK).
© Sascha Geneste

Na Sjors is Donica Buisman de volgende spreker. Zij is afgestudeerd als communicatiewetenschapper en is oprichter van bureau State of Flux, ter verbetering van het stedelijk leven in constant veranderende steden. Ook zij pleit voor meer waardering van de benadering van Jane Jacobs, waarbij het stadse leven en het programma op straat belangrijker is dan de fysieke omgeving. Het motto van State of Flux is dan ook “Program your city”, waarbij het programmeren van gebiedsontwikkeling en stedelijk leven zorgt voor een succesvolle openbare ruimte. Buisman maakt een onderscheid tussen enerzijds de hardware van de stad, de fysieke stad die in planvorming tot nu toe een leidende rol inneemt, en de software, de programmatisch invulling van de stad die een belangrijke nieuwe rol kan spelen. Ze bepleit dat het huidige gebrek aan programma op straat en daarmee samenhangend streetlife culture maakt dat mensen vervreemd raken van hun buitenwereld en daar geen betrokkenheid meer mee voelen.

State of Flux adviseert binnen ruimtelijke projecten hoe deze straatcultuur met een open programmering kan worden gestimuleerd, zodat betrokkenheid kan worden gecreëerd. Hoe ziet die programmering er dan uit? Dit is afhankelijk van het project en de locatie, maar te denken valt aan culturele en maatschappelijke events, maar ook aan straatmeubilair, groen of ruimtelijke interventies. En, afhankelijk van het proces en de gebruiksintensiteit, kan programmering ook een tijdelijk karakter aannemen. In feite is alle programmering tijdelijk; de tijd dat we ontwierpen met een houdbaarheid van een aantal decennia is wellicht voorbij. Donica heeft onder andere gewerkt aan de programmering van de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord, nabij filmmuseum EYE. Hier is, op tijdelijke basis, een culturele hotspot gecreëerd op de plek van het historische park, die tegelijk een broedplaatsfunctie heeft binnen de directe omgeving, maar ook een podiumfunctie voor de hele stad, in samenwerking met poppodium Paradiso. Nu fungeert de Tolhuistijn als een van de succesvolste plekken in het hippe Noord.

Net als Sjors de Vries stelt Donica Buisman een andere rol van de ontwerpende professional voor, namelijk die van de facilitator of mediator. Hoewel onze studie al redelijk goed de focus legt op participatieve trajecten, kan dit aspect van het vak natuurlijk altijd meer aandacht krijgen. Iets wat Donica ook uit de praktijk heeft moeten leren: “Als je het niet leert tijdens je studie, moet je het jezelf aanleren.” Maar volledig de regie loslaten werkt volgens haar ook weer niet, omdat dit niet leidt tot concreet resultaat. Beter zou het zijn dat de ontwerper of planner zorgt voor een centrale strategie voor de software en dit proces begeleidt. Mogelijk draagt hij bij aan de vormgeving en realisatie, als dit gewenst is. Die software hoeft hij dus niet zelf te bedenken, maar hij moet enkel op zoek te gaan naar de mensen met de goede ideeën. Zo bezien valt die nieuwe rol toch wel weer mee?

De presentatie van Marian de Vries (Buro Lubbers). © Sjors de Ridder

De presentatie van Marian de Vries (Buro Lubbers).
© Sjors de Ridder

De afsluitende presentatie komt van Marian de Vries, architect/stedenbouwkundige en projectleider bij Buro Lubbers. Zij laat zien hoe participatieve projecten in een krimpregio in de praktijk kunnen uitwerken en wat de voor- en nadelen van dergelijke projecten zijn. Dit in tegenstelling tot de traditionele blauwdrukplannen waaraan ontwerpers gewend zijn te werken.  Als voorbeeld hiervoor gebruikt ze twee projecten waaraan Buro Lubbers heeft gewerkt, Park Heilust in Kerkrade-West en Haringbuys in Aerdenhout. “Krimp, wat is dat nou eigenlijk?” vraagt Marian de Vries zich allereerst af. Om krimp te begrijpen moet volgens haar een onderscheid worden gemaakt tussen harde krimp enerzijds, waarbij fysieke voorzieningen verdwijnen, en zachte krimp anderzijds, waarbij de sociale samenstelling veranderd of de bevolking afneemt.

Haar eerste voorbeeld van Park Heilust speelt in op zachte krimp in Kerkrade, als gevolg van de sluiting van de mijnen en de afnemende werkgelegenheid in de regio. De ruimtelijke opgave is de herinrichting van de ruimte die met de sloop van woningen vrijkomt. Deze ruimte wordt ingezet voor de ontwikkeling van een park, waarbij Buro Lubbers de opdracht kreeg het proces te begeleiden en de ideeën in schetsen te verbeelden. Marian laat de beelden zien die dit traject heeft opgeleverd. Door middel van een hagenstructuur is een eenvoudige invulling gegeven aan het gebied, die ook op tijdelijke basis programma biedt voor de omliggende wijken.

Het plan voor Haringbuys in Aerdenhout (bij Haarlem) laat zien hoe een participatief traject ook voor een hoger segment binnen de woonmarkt voordelen kan bieden. Door middel van een structuur van sloten die passen bij het landschap, wordt in Aerdenhout een villawijk gepland zonder dat een duidelijk eindbeeld wordt nagestreefd. Omdat onzeker is hoe snel Haringbuys kan worden ontwikkeld, zijn verschillende scenario’s geschetst waarbij rekening wordt gehouden met tegenvallende kavelverkoop. De omwonenden en potentiële kopers zijn vanaf het begin van het proces betrokken bij het ontwerp van het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitplan.

Je kan je afvragen of de ontwerpvoorstellen genoeg ruimte overlaten voor invulling vanuit bewoners. Vanuit de zaal komt de vraag of een project uiteindelijk niet tóch altijd neerkomt op een blauwdrukplan, omdat dit iets is waar je als ontwerper niet aan ontkomt. Marian legt uit dat dit in beide projectvoorbeelden juist de enige manier was om betrokkenheid te genereren. Er was weinig activiteit aanwezig en mensen lieten zich lastig betrekken. Daarom kozen ze als ontwerpbureau ervoor om het proces te consulteren en bewoners niet zelf te laten tekenen.

Daarmee laten alledrie de sprekers zien hoe in verschillende situaties de rol van de ontwerper of planner een andere vorm kan aannemen. Uitvinder, mediator of consultant; wellicht zijn de woorden verschillend, maar komen ze in de basis op hetzelfde neer: een open en flexibele houding naar de opdracht, en niet bang zijn om van gebaande paden af te wijken. Iets wat je jezelf moet aanleren door het gewoonweg te gaan doen, maar wat zich duidelijk bewijst in concrete resultaten. Genius Loci bewijst met dit sympodium deze uitdaging aan te durven gaan.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

* Please arrange the below number in decreasing order