Column – Ons erfgoed

thumbnailfeaturedimagecolumnist

_COLUMN_ door Marit Noest

Lekker genoten van het Forum Romanum, het Louvre of Rocky Mountains? Mooie Machu Pichufoto gepost vanaf weer het volgende verre oord? We betalen honderden euro’s om erfgoed over de hele wereld te zien, terwijl we in eigen land nog veel te bezoeken hebben. Maar zijn we hier wel het gewenste publiek?

Ik ben nog nooit in het Anne Frank Huis geweest. Zo. Het is er uit. Niet omdat ik het niet interessant vind, of omdat het me niets doet of ik de geschiedenis van mijn eigen stad niet boeiend vind (juist wel!) maar omdat er nog nooit een moment is geweest waarop in me opkwam om er heen te gaan. Toch schaam ik me hier toch minder voor dan zou moeten. Misschien omdat ik van meer Amsterdammers hoor dat het gewoon nog nooit in ze is opgekomen om naar het Anne Frank Huis te gaan. Het publiek bestaat uit toeristen, uit Amerika of Aziatische landen, met grote camera’s en petten en kaarten, die er in gidsen over lezen en de volgende dag Parijs aandoen. En daar horen de locals niet bij.

Het Rijksmuseum daarentegen (‘Het Rijks’ voor intimi) heeft een hele andere positie in het stadsleven van Amsterdam. Het ligt centraal, is verwoven met de lokale infrastructuur en goed zichtbaar. Een herkenningspunt in de stad en daarom een belangrijk aspect van de identiteit van de stad. “Ben je al in het nieuwe Rijks geweest?!” was de vraag die na de heropening over de grachten gonsde. Amsterdammers vertelden trots over dat ze tien jaar geleden nog onder het gebouw door konden fietsen, en keken met veel genoegen uit naar het moment dat de doorgang weer opende. De vraag of de doorgang terug zou keren na de verbouwing was snel beantwoord: ja, want het hoort bij Amsterdam.

Na de sluiting groeide een generatie op die dit typische Amsterdam-gevoel moest missen, maar ook ik heb laatst voor het eerst mogen ervaren hoe het voelt, met je haren in de wind onder het museum door. Hoe verbonden dit erfgoed is met de stad en de lokale inwoners, toonde ook in dat de eerste dag na de heropening het museum gratis toegankelijk was en in grote getale werd bezocht door Amsterdammers, als cadeautje voor de stad. Als je met je rammelende fietsje onder het Rijksmuseum door fietst, zie je nog steeds diezelfde uitgedoste toeristen in rijen voor de deur staan, maar, in tegenstelling tot het Anne Frank Huis, heerst dan het gevoel ‘Ja jullie mogen kijken, maar het blijft ons Rijks..’

Het Anne Frank Huis, maar ook andere monumenten en musea in de stad, voelen niet zo. Het is niet een plek waar ik vaak langskom als ik een ander doel heb. Bij ander erfgoed in de stad zul je niet zo snel zien dat bij de langverwachte heropening rijen en rijen staan van mensen uit de buurt. Natuurlijk is er ook een maximum aan erfgoederen dat een mens deze speciale plek in een stad kan geven. Maar twee lijkt me nog goed te lukken. Vandaar dat het me verbaast dat het Anne Frank Huis, dat een verhaal behelst over de stad dat iedereen aangaat, zoveel verschilt met het Rijks wat betreft de connectie met de inwoners.

Met de lokale bewoners als doelgroep nummer 1 veranker je erfgoed nog meer in zijn omgeving en bouw je aan de identiteit van de plek. Maar ook de plek in de rest van de stedelijke structuur kan een verschil maken. In een stad als Amsterdam, of andere grote steden, wordt snel alleen gewerkt aan het label toeristische trekpleister, in plaats van ook lokale trekpleister. Dit kan een plek veranderen in enkel erfgoed consumptie, in plaats van geliefde toevoeging aan het lokale gevoel van een plek (die daarnaast ook interessant is voor toeristen). En misschien gaan we dan ook zelf, in plaats van een weekendje London, een nieuwe kant van onze eigen omgeving verkennen.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

* Please arrange the below number in decreasing order